Dienst 100


 

Toen in 1964 de wet op de dringende geneeskundige hulpverlening verscheen, had men hier in het korps reeds enkele jaren ervaring met de werking van een openbare ambulancedienst. In 1964 namelijk werden bij de bestendige wacht van de brandweer 2 ambulanciers in dienst genomen als gevolg van een Wet van I 958 waardoor de Commissie van Openbare Onderstand (C.O.O.), nu het O.C.M.W, verplicht werd om in te staan voor het vervoer van slachtoffers en voor hun opname in ziekenhuizen. In 1964 werd dan het telefonisch noodnummer 900 ingevoerd en sindsdien staat onze ambulancedienst in voor volgende Meetjeslandse gemeenten: Eeklo, Sint-Laureins, Sint-Margriete, Waterland-Oudeman, Watervliet, Bassevelde, Sint-Jan-in-Eremo, Boekhoute, Assenede, Kapijke, Oosteeklo, Lembeke, Waarschoot, Zomergem, Oostwinkel en Ronsele. Enkele brandweermannen volgden toen ook een korte opleiding bij het Rode Kruis om bij verlof of ziekte van de Wacht de dienst te kunnen verzekeren. In die pionierstijd, want zo kunnen we hem wel noemen, waren de middelen en mogelijkheden zeer beperkt en lag het accent vooral op het snel ter plaatse brengen van een transportmiddel op de plaats van het onheil om het slachtoffer naar het dichts bij zijnde ziekenhuis over te brengen De ziekenwagen uit die tijd was dan ook niet veel meer dan een gesloten bak op vier wielen, voorzien van een motor, die af en toe ook zijn kuren had, en enkele brancards. wat dekens en een eerste hulpkoffertje erin. Van de ambulancier uit die tijd werd wel heel wal creativiteit en inventiviteit geëist, want hij was steeds alleen op pad. hij had ook enkel radiofonisch contact met de hoofdpost van de 900-centrale te Gent, terwijl zijn eigen collega in de kazerne in het ongewisse bleef omtrent het verder verloop van de hulpverlening tot de ambulancier terug was en zijn verhaal kon doen. Bij ernstige ongevallen moest de ambulancier dan beroep doen op omstaanders, die, meestal niet zo happig waren om te helpen omdat ze er gewoon helemaal niets van afwisten. Bij ernstige ongevallen met meerdere gekwetsten werden deze zo goed en zo kwaad mogelijk "gestapeld" om toch iedereen mee te hebben, zoniet moest de ambulance nog eens terugkeren of moest men hulp afwachten vanuit Maldegem of Zelzate. Behalve dan dat de inrichting en het comfort van de ziekenwagens wat werd verbeterd en gemoderniseerd en dat er ook radiocontact mogelijk werd met de eigen kazerne door het installeren van een vaste radiopost, bleef deze situatie bijna ongewijzigd tot eind de jaren zeventig, begin jaren tachtig. Toen kwam er de wettelijke verplichting om met twee ambulanciers uit te rukken. Dit feit was voor een twintigtal vrijwillige brandweermannen de aanleiding Om de cursus eerste hulp (20 uren) bij het Rode Kruis te volgen, om dan in een beurtsysteem als begeleider mee te rijden. Dit beurtsysteem werd in eerste instantie ingevoerd tijdens de week ´s nachts en in het weekend 24 u op 24 u. De bereikbaarheid van de ambulanciers van wacht thuis kon enkel gebeuren door middel van een draagbare radiopost, die dan nog elke dag moest binnengebracht worden in de brandweerkazerne om, bij gebrek aan voldoende toestellen, doorgegeven te worden aan de volgende ambulancier van dienst. De komst van de individuele zakontvangers (biepsysteern) in 1980, waardoor selectief één of meerdere personen konden worden opgeroepen, was dan ook meer dan welkom. Ondertussen waren nog een tiental brandweermannen zo enthousiast en gemotiveerd genoeg om ook cursussen te volgen, zodat momenteel bijna de helft van het brandweerkorps meedraait in het ambulancesysteem. Dit is geen overbodige luxe, want medio de jaren tachtig werden bij de bestendige wacht besparingen doorgevoerd (wegens een tekort in de stadskas), waardoor er overdag 1 en ´s nachts 2 ambulanciers moesten opkomen Daarbij kwam ook nog dat in het korps per toeval een reserveambulance werd ingeschakeld waardoor nog eens 2 ambulanciers 24u van dienst waren. Het opmaken van de lijsten met de beurtrollen, wat ook vrijwillig gebeurde, was dan ook geen gemakkelijke karwei, doch de collegialiteit en het enthousiasme die onder de ambulanciers leefde en nog leeft, maakte dat tot op heden de dienst steeds verzekerd is gebleven. Een bijkomend voordeel om over zo een groot aantal ambulanciers in het korps te beschikken is dat bij gezamenlijke interventies van het ambulancierspersoneel en de brandweer, zoals bijvoorbeeld bij ongevallen met geknelde personen beide partijen vlot kunnen samenwerken omdat ze tot één en hetzelfde korps behoren, elkaar dus zeer goed kennen, en men in beide jobs onderlegd is. Wat nu de opleiding betreft, beseffen we maar al te goed dat de opleiding van 20 uren slechts een basis is en dat verdere specialisatie en bijscholing noodzakelijk is. Dit zeker in een tijd waar het accent meer en meer gelegd wordt op de hulpverlening ter plaatse van het ongeval of onheil, eerder dan op de snelheid om ter plaatse te komen en het slachtoffer zonder verzorging in rodeostijl naar het ziekenhuis af te voeren In 1984, lang voordat men van overheidswege aan enige verplichting dacht, werd kontakt opgenomen met het Instituut voor medische dringende hulpverlening te Brugge met het oog op het volgen van deskundige bijscholing. Sedertdien wordt er regelmatig bijscholing gegeven door dokters en verpleegkundigen werkzaam in de spoedopnamediensten van het AZ te Brugge en het UZ te Gent. Daarnaast wordt er maandelijks samengekomen om praktijk in te oefenen en ervaringen uit te wisselen aan de hand van kasuïstiek. Op basis van die ervaringen werd dan ook met eigen middelen een gebruiksvriendelijke doch efficiënte reanimatiekoffer samengesteld. Ondertussen werd in oktober 1987 het telefonisch hulpoproepnummer 900 omgevormd tot 100 en werd de hulpverlening meer en meer een medische aangelegenheid. Nu ligt het accent op het ter plaatse stabiliseren van het slachtoffer met alle beschikbare middelen, wat dan betekent dat ook het ziekenhuis (dan wel in de vorm van een medische urgentieploeg met dokter en verpleging) naar de plaats van het onheil kan gebracht worden. Na lang aandringen en veel overtuigingskracht bij de verantwoordelijken van het Ministerie in Brussel werd ons dan in 1991 een tweede ambulance officieel toegewezen en werd in 1993 de eerste ziekenwagen vervangen door een vernieuwd model met verhoogd dak, waardoor het werken in de sanitaire cel, zeker in samenwerking met het team van een M.I.G. (medische interventiegroep), mogelijk werd.

#

Om in de beste omstandigheden en met de beste zorgen het slachtoffer over te brengen naar het ziekenhuis wordt slechts één zwaargewonde persoon per ziekenwagen vervoerd. Ook de radiocommunicatie vanuit de ambulance met het H. Hartziekenhuis werd in die periode tot stand gebracht. Zo kan op de weg naar het ziekenhuis reeds voorafgaandelijk noodzakelijke informatie doorgespeeld worden, zodat in de kliniek de nodige voorzieningen kunnen getroffen worden.

De ambulancedienst heden ten dage

Werking

Momenteel zijn 24 brandweermannen, met het brevet van hulpverlener-ambulancier, actief in de werking van de dienst 100, 24 uur op 24 zijn telkens 4 ambulanciers beschikbaar om de 2 ziekenwagens te bemannen, Elke ambulancier beschikt, naast de individuele zakontvanger, over een persoonlijke GSM, zodat er bij een oproep direct contact kan genomen worden met de kazerne. Daarnaast heeft elke ambulancier zijn eigen interventiejas, werkkledij en veiligheidsschoenen.

#

Opleiding

Waar vroeger een basisopleiding van 40 uur volstond is er nu per provincie een provinciale school die instaat voor de basisopleiding en de permanente vorming van ambulanciers. Voor Oost-Vlaanderen is dit MEDOV (Medisch Oost-Vlaanderen):

Om de 5 jaar wordt dan evaluatieproef afgenomen ter verlenging van de badge (een officieel bewijs, afgeleverd door het Ministerie van Volksgezondheid).

Voertuigen

Momenteel zijn er 2 identieke ambulances in gebruik die degelijk uitgerust zijn om te voldoen aan de huidige noden en normen.

Spefificaties: