De geschiedenis bij ons
In den beginne...
In het begin van de l9de eeuw werden te Eeklo branden nog bestreden zoals in de Middeleeuwen. De brandhaken, ladders of lederen emmers waarover het stadsbestuur eens beschikte, waren sedert jaren versleten of verloren geraakt. Wanneer het dan gebeurde dat brand werd "geklept", repte ieder man met burgerzin zich naar de plaats van het onheil om hulp te bieden. Veelal kwam dit neer op het op het vuur werpen van het water dat op diverse plaatsen werd gehaald en op allerlei manieren werd aangebracht. Deze primitieve blusmethode wekte bij menigen de schrik op dat een brand in een stad als Eeklo, met een dicht bevolkt centrum, waar nog bijgebouwen stonden in hout opgetrokken en afgewerkt met een strodak, wel eens zou kunnen uitlopen tot een ramp.
De goede wil
In de gemeenteraadszitting van 15 mei 1808 werd gediscussiëerd over de aanschaf van een pompe â incendie", gezien deze meer dan onontbeerlijk geworden was "dans une place aussi commerçante et òu se trouvent tant de fabriques". Voor de aankoop van een dergelijke brandspuit werd dan prompt 600 frank voorzien op de begroting. Maar hiermede was het probleem niet van de baan. Van jaar tot jaar werd wel een bedrag voorzien op de begroting, maar wegens geldgebrek kwam het nooit tot een definitieve aankoop, zodat nog jarenlang menige brand diende geblust te worden volgens het eeuwenoude blussysteem met emmers water. En zo werd van jaar tot jaar het op de begroting voorziene bedrag opgetrokken, werd er zelfs rekening gehouden met de kosten die moesten gemaakt worden om de brandspuit ergens behoorlijk onder te brengen, zodat in de zitting van 25 augustus 1812 in de begroting voor 1813 al 4 000 frank werd voorzien voor de aankoop ervan. In die tijd waren onze gewesten ingelijfd bij het toenmalige Franse Rijk. Door de voortdurende oorlogvoeringen van Napoleon moest iedere staatsburger, dus ook wij in die tijd, bijdragen in de enorme lasten en kosten die deze met zich meebrachten. De belastingen waren dan ook niet te onderschatten en zelfs de Eeklose stadskas verzonk steeds dieper en dieper in een deficit. De aankoop van een brandspuit werd dan ook als vanzelfsprekend achterwege gelaten, ten bate van meer "dringende" zaken. Alle brandgevaar was daarom niet geweken. In 1813 werd Eeklo immers getroffen door twee belangrijke branden: -vooreerst was op vrijdag 18juni 1813 's0 morgens om 8 uur brand ontstaan in de brouwerij van Sieur Louis van Waesberghe, met schade aan de achterbouw van de brouwerij en een deel van de oostkant van de stallingen -vervolgens brandde op 29juni 1813 in "'t Gellinckstraetjen" (Garenstraatje) door blikseminslag het nog met stro bedekt huis van Judocus Vervijnckt af. Onvermijdelijk gaven deze twee branden aanleiding tot discussies op gemeentelijk vlak omtrent het uitblijven van degelijk brandbestrijdingsmateriaal. Opnieuw moest het gemeentebestuur vaststellen in zijn zitting van 18 november 1813 dat er nog steeds geen materiaal was om gebeurlijke branden te bestrijden, meer nog, dat de tot dan toe altijd gebruikte lederen emmers en brandhaken verloren gegaan waren tijdens "rumoer en oproerige bijeenkomsten tijdens het zevende jaar van de Franse Republiek". Opnieuw werd een som, deze keer al 5 232 frank, voorzien in de begroting. Nu zou het er toch eindelijk van komen. Niets was minder waar.... Weerom door tijdsomstandigheden werd het geld voor andere doeleinden gebruikt en kwam er geen aankoop van brandbestrijdingsmiddelen.
Napoleon werd in oktober 1813 te Leipzig door de geallieerde troepen verslagen en op 1 februari 1814 vluchtte al wat Frans was weg uit Eeklo. De zuidelijke Nederlanden kregen tijdelijk een militair bestuur (Engelsen, Duitsers en Russen) en vanaf 1 augustus 1814 nam Willem 1 het bestuur van de geallieerden over, waarna het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden tot stand kwam. Door de enorme schulden die daaruit voortvloeiden voor de Stad Eeklo werd de aankoop van een brandspuit .... jawel ...... nog maar eens uitgesteld. Op 18 december 1814 brak weerom een zware brand uit in de schuur met strodak bij voerman Amold Van Acker in het "Hondekotstraetjen" (hoek Çollegestraat / Vlamingstraat). De brand was zeer hevig en nog steeds konden de massaal toegestroomde burgers geen afdoende hulp bieden door het ontbreken van emmers, brandhaken, ladders en ... brandspuit. Door de hevige wind dreigde het vuur over te slaan op de meest bebouwde plaatsen in de stad, waar winkels en magazijnen gevaar liepen. Mede door de talrijke door de wind meegedreven vuurgensters waren de burgers op de duur genoodzaakt ook hun eigen woningen te beschermen. Uiteindelijk kon na meer dan twee bange uren omstreeks 7 uur 's ochtends de brand bedwongen worden.
Even rampzalig was een brand op het erf van de jeneverstokerij Van Hoorebeke in de Boelare op 30december 1815, veroorzaakt door het springen van een destileerketel en die heel Eeklo op de been bracht en waarbij de stokerij en de veestal uitbrandden en maar liefst 25 stuks hoornvee verkoolden of verstikten onder het puin. In die tijd hadden de meeste stokerijen eveneens een uitgebreide veestapel. De afval of het overschot dat na de gisting van de wort overbleef (de spoeling") werd namelijk als voeding aan het hoornvee gegeven, en dit met uiterst goede resultaten tot gevolg Er heerste toen een economische crisis en tot overmaat van ramp waren mislukte oogsten in de jaren 1816-1818 oorzaak van voedseltekort en ontstond er Zelfs hongersnood. In 1817 genoot ongeveer één tiende van de Eeklose bevolking steun van het "Bureel van Weldadigheid". Er moest zelfs een buitengewone belasting worden geheven om de nood te kunnen ledigen.
De doorbraak
Het zou nog tot in het jaar 1820 duren eer de brandspuit er kwam, dank zij de betere toestand van de stadskas. In de gemeenteraadszitting van 11 november 1819 was in de begroting een bedrag van 900 gulden voor de aankoop voorzien. De aanbesteding had plaats op 1 mei 1820 en de levering werd voor 891 gulden toegewezen aan H. Hisette. ijzergieter te Gent. Deze aankoop werd door de hogere overheid goedgekeurd en er werd aangedrongen bij Hisette op een zo spoedig mogelijke aanvang van de constructie, opdat de levering zou kunnen plaatsvinden binnen de 50 dagen Het duurde echter nog tot in oktober van datzelfde jaar vooraleer de brandspuit werd geleverd. In de notulen van het College van Burgemeester en Schepenen van 19 oktober van dat jaar 1820 vinden wij het besluit terug om de bevolking van de levering van de brandspuit op de hoogte te stellen en terzelfdertijd een oproep te richten opdat zich personen als pompiers volontaires" zouden aanbieden, om zich vertrouwd te maken met de werking om bij brand te kunnen optreden. De brandspuit werd ondergebracht onder het gebouw van het stadhuis "aan den noordwesthoek". Tevens werd aangekondigd dat een demonstratie zou doorgaan op maandag 30 oktober 1820 om 9 uur. Op die historische dag van 30 oktober 1820 kwamen in Eeklo voor het eerst de spuitgasten in aktie en zag het "vrijwillig brandweerkorps" zijn levenslicht. Zes pompiers werden aangeworven. Maar er bleken problemen te zijn met de brandspuit die lekte en die daarom werd teruggestuurd naar Gent, naar Hisette. De herstelling bleef uit. Pas na dreigement van het stadsbestuur bij brief van 28december 1820 om artikel 3 van het lastenboek toe te passen en een boete van 3 gulden te rekenen voor elke dag vertraging na de voorziene leveringsdatum kwam bij brief van Hisette van dezelfde dag het lakonieke antwoord dat de pomp hersteld was... In 1821 werden veranderingswerken uitgevoerd aan het stadhuis (noordwesthoek) om het brandweermateriaal onder te brengen en werden 28 lederen emmers aangekocht. Op 16augustus van dat jaar had de voorlopige aanvaarding plaats van de brandspuit, die 891 florijn kostte en een 12 maanden garantietermijn meekreeg. In 1821 werd door de 6 pompiers maandelijks oefening gehouden. Aan elk van hen werd een vergoeding van 50 cent uitbetaald, hetgeen in vergelijking met het dagloon van 60 cent van een wever in die jaren nog niet zo slecht betaald was. In 1822 bleek het korps al uit 8 man te bestaan en in de loop van het jaar werden er 9 oefeningen gehouden. Stelselmatig werd het materieel uitgebreid. Zo kwam na levering van 25 nieuwe emmers in 1823 het totaal aan emmers op 84. Daarnaast beschikten de pompiers nog over een brandspuit met 37,5 ellen darm (een Nederlandse ei was 1 meter), 2 ladders en 2 haken. Er werd nog slechts om de drie maand geoefend, maar dan blijkbaar een hele dag, want de vergoeding liep inmiddels op tot 1,25 gulden per man.
Een brandweerreglement
Door de regering van Koning Willem en andere hogere overheidsdiensten werd in die tijd bij de gemeentebesturen fel aangedrongen om plaatselijke brandweerkorpsen uit te bouwen en een meer efficiënte brandbestrijding te organiseren. Zo werd op 1 mei 1823 door de Provinciale Staten van Oost-Vlaanderen bij het gemeentebestuur aangedrongen een ontwerp van stedelijk brandweerreglement op te stellen, wat tijdens de gemeente raadszifting van 26 mei 1823 gebeurde. In het reglement werden een hele reeks artikelen in verband met brandpreventie opgenomen. Verder volgden er bepalingen in verband met de verplichtingen van de burgers en de brandweerlieden. In aansluiting met het brandweerreglement werd het brandweerkorps beter gestructureerd en op 28 december 1823 ging het College van Burgemeester en Schepenen over tot de benoeming van het personeel dat vanaf 1januari 1824 zou "in werkzaamheid treden". Er werden 1 opperbrandmeester, twee onderbrandmeestérs, 2 spuitmeesters en 12 "geaffecteerden" of brandspuitgasten aangesteld.
De verdere jaren
In 1824 werd aan de manschappen, die niet over een uniform beschikten en met gewone, persoonlijke werkkleding aantraden, een lederen hoofddeksel ter beschikking gesteld om het meest kwetsbare lichaamsdeel te beschermen. Deze lederen mutsen" werden geleverd op 26 mei 1824. Diverse rekeningen uit die jaren 20 tonen aan dat het brandweermateriaal behoorlijk onderhouden en waar nodig gerepareerd werd. Pas op 9 december 1827, voor de eerste keer sedert de oprichting van het brandweerkorps, werden onze pompiers geconfronteerd met een brand, nl. aan de schuur van het echtpaar Van Hijfte-Bekaert in de afgelegen Moerstraat. Alle brandweermateriaal en de manschappen werden met het opgeëiste paardengespan van voerman Jan Baptist Van Acker naar de plaats van het onheil gevoerd. In september 1830 had de Belgische opstand plaats en in oktober werd door het 'Voorlopig Bewind" te Brussel de Belgische onafhankelijkheid afgekondigd. De gemeenteraadsverkiezingen van 27 oktober brachten de Patriotten aan de macht en Karel Stroo werd de nieuwe burgemeester van Eeklo. Ex-burgemeester J. Dhuijvetter bleef nochtans opperbrandmeester te Eeklo. Uit een bijlage aan zijn verslag dat hij in juli 1831 aan het stadsbestuur uitbracht, blijkt over welke blusmiddelen het korps van toen beschikte. De toenmalige bevelhebber Berte stelde in 1881 een nieuw reglement op, in vervanging van het reglement van 26 mei 1823 dat geen voldoening meer gaf. Aldus werd het korps ingedeeld in 3 secties en telde het als compagnie 60 manschappen. In het nieuwe reglement kwamen volgende hoofdstukken aan bod: de besturende commissie (9 leden), de samenstelling van het korps vrijwillige pompiers, de bevoegdheid en plichten van de bevelhebber, de rekenschap en boekhouding, de vrijwillige pompiers, de dienstplichten der pompiers en de algemene schikkingen tot voorkomen en blussen van brand
Water
Het blussen van een brand geschiedde in die tijd bijna uitsluitend door middel van water. Sedert onheuglijke tijd lagen er in de buurt van de Markt enkele open waterputten waaruit met een emmer aan een katrol water kon geput worden voor mens en dier Bij brand werd daar uiteraard ook water gehaald. In het begin van de 19e eeuw waren deze openbare waterputten in verval geraakt. In de put op de Botermarkt lagen er kadavers van katten en honden en de put stond meestal zonder water. Deze put werd in 1819 omgebouwd tot pompput. Een andere put, tegenover het Hondekotstraatje, werd voorzien van een deksel, zodat hij voortaan als waterreservoir diende om bij brand te kunnen blussen. De waterput, van ouds genaamd "de Fonteijne", gelegen in het midden van de Markt, dichtbij de Varkensmarkt, werd in 1818 dicht gelegd en daar werd voorlopig een houten pomp gestoken. In 1821 werd een monumentale arduinen pomp gebouwd op de plaats waar de Fonteijne" had gestaan. Een tweede arduinen pomp werd in november 1822 op de Botermarkt in gebruik genomen.
Beroepen
Een overzicht van de identiteit van al diegenen die deel uitmaakten van het brandweerkorps in die beginjaren leert ons dat zij volgende beroepen uitoefenden: meerdere metsers, een tingieter, een graanhandelaar en jeneverstoker, een schepen, een pleitbezorger en advokaat, dagloners, een handelaar in bouwmaterialen, een timmerman, een ondernemer van grondwerken, een herbergier en een werkman.
Brandverzekering
In de betrokken jaren betekende een brand voor de slachtoffers in de meeste gevallen een financiële ramp. Meestal werden dan collectes gehouden om de grootste nood te lenigen. Dit gebeurde plaatselijk, maar ook zelfs nationaal. In 1821 bijvoorbeeld had een collecte plaats ten voo rde le van de slachtoffers van Paramaribo, "de hoofdstad van eene onzer voornaemste koloniën", waar een verschrikkelijke brand had gewoed. In 1824 gebeurde dit ten voordele van de gemeente Waalwijk, waar vele inwoners van have en goed waren beroofd. Het zich laten verzekeren tegen brandschade was in 1815 te Eeklo nog niet doorgedrongen. In 1826 liet het stadsbestuur op een vraag van de provinciale overheid weten "dat indertijd alhier nog geene eigendommen waren verzekerd en dat het getal der verzekerden zelve op heden zeer gering is". Er bestond wel een nationaal "Fonds voor kwade posten" waaruit de hogere overheid aan slachtoffers van "onvoorziene rampen" een zeker hulpgeld toekende. Een voorloper van onze huidige rampenfondsen?
Het korps in de twintigste eeuw
Op 2 maart 1909 werd Hector ReychIer bevorderd tot kapitein-bevelhebber, ter vervanging van ontslagnemend bevelhebber Van Wassenhove. Ferdinand Lecomte, reeds van 1885 in dienst als vrijwillig brandweerman, promoveerde van adjudant tot luitenant en bleef onafgebroken op post tot aan zijn dood in 1937, na 52 jaar voorbeeldige dienst ! Zijn zoon Paul Lecomte zou later eveneens toetreden tot het brandweerkorps en als kapitein-bevelhebber zijn loopbaan eindigen. In 1940 op 16 mei werden de in 1937 overleden luitenanten Ferdinand Lecomte en Paul Goethals opgevolgd door luitenant Paul Lecomte en onderluitenanten Aimé Heene en Sylvain Vergucht. Louis Colman werd adjudant. Overleden in 1949 werd op 11 augustus 1951 onderluitenant Aimé Heene opgevolgd door Marcel Lampaert. In dezelfde gemeenteraadszitting benoemde de gemeenteraad de heer dokter Michel Bafort tot onderluitenant-geneesheer, zodat het korps voor de eerste maal in de geschiedenis over een officier-geneesheer beschikte.
Het korps in de laatste jaren
Het "moderne" brandweerkorps van Eeklo, dat hoofdzakelijk werd uitgebouwd onder leiding van vooreerst wijlen kapitein-bevelhebber Marcel Lampaert en vervolgens dienstdoend bevelhebber luitenant Simon Pauwels, beschikt thans over volgende brandweervoertuigen en rollend materieel: een halfzware autopomp Bedford (bouwjaar 1973), een materieelwagen Dodge (bouwjaar 1975), een tankwagen Renault (8000l water) (bouwjaar 1982), een elevator Renault (24 m werkhoogte) (bouwjaar 1981). een milieu-interventiewagen Citroën (bouwjaar 1993), een snelle hulpwagen Chevrolet (bouwjaar 1982), een zware autopomp Mercedes (bouwjaar 1980), een commandowagen Fiat (1994); een bestelwagen Nissan (1986), twee ziekenwagens Volkswagen (1990 en 1993), materieelwagen (1998), twee halfzware autopompen Mercedes (1999-2000), een aanhangwagen met pomp 800 1/min., een aanhangwagen met "pompeiland" en 2 pompen van 1600 1/min. en één van 800 1/min., een aanhangwagen met 900 m persslangen van 110 mm doorsnede en een aanhangwagen voor allerlei ladingen. Daarbuiten zijn het "kleine" materiaal en bij horende benodigdheden inmiddels aangegroeid tot een eindeloze lijst: een vaste post. mobiele posten in de voertuigen, draagbare radio/zenders, persoonlijke bips, een megafoon en een draagbare telefoon wat betreft de communicatiemiddelen; boeken met de vermelding van alle open waters en hydranten van het waterleidingsnet binnen het beschermde gebied; persluchttoestellen met ademlucht voor de manschappen; diverse lampen, schijnwerpers en verlichtingstoestellen; persslangen van 45,70 en 110 mm doorsnede; lansen van klein naar groot; spaden, schoppen, rieken, borstels, vuurzwepen, bijlen, zagen, koevoeten, breekijzers; draagbare pompen; emmerpompen, poeder- en C02-blustoestellen, reddingskoorden, reanimatiekoffers, stroomgeneratoren, benaderingspakken, standpijpen; verdeel-. verloop- en broekstukken; koorden, zuigkorven, zuigslangen, diverse soorten ladders; slijpschijven, veiligheidsbrillen, staal kabels, Tir-For trektoestel, kat rollen, windas, motorboomzagen; stations voor stutwerken; opvouwbare draagberries; chemische beschermpakken; gaspakken; bijenkledij; zuurpomp; olie-sperband met toebehoren; rookafzuigers; dompelpompen; detektietoestel schadelijke gassen; vacuum afsluitkussen; overdrukventilatoren; roll-gliss, rioolafsluiters; lekafdichters buizen; verkeerskegels; hydraulische spreider en schaar; pneumatische hefkussens; schuimlansen; slangenbruggen; enz
Het korps van Eeklo is een gewestelijk Z-korps, hetgeen betekent dat het buiten zijn eigen grondgebied van Eeklo ook nog tussenkomt in de volgende aangrenzende gemeenten en deelgemeenten: Sint-Laureins, Sint-Jan-in-Eremo, Watervliet, Waterland-Oudeman. In die mate beschermt het een oppervlakte van 10461 hectaren en 25666 bewoners (19150 Eeklo en 6516 Sint-Laureins). Daarenboven kan het ter hulp geroepen worden voor bijstand aan de volgende C-korpsen (loutere bevoegdheid binnen het grondgebied van hun eigen gemeente): Kaprijke (inbegrepen deelgemeente Lembeke), Waarschoot, Zomergem (inbegrepen de deelgemeenten Oostwinkel en Ronsele). De bepalingen van het nieuwste grondreglement van het stedelijk vrijwilligersbrandweerkorps werden vastgelegd in de gemeenteraadszitting van 3 oktober 1973, sindsdien aan gepast naargelang de behoeften, evoluties en noodwendigheden. Het omvat de volgende basisrubrieken: Organisatie, taak en samenstelling van de brandweerdienst; personeel (aanwerving, stage en opleiding; benoeming, indienstneming en loopbaan; plichten; onverenigbaarheden; hiërarchie en tuchtregeling; vergoedingen); gebouwen; materieel en bevoorrading in bluswater; kleding en uitrusting; verzekering van het vrijwilligerspersoneel; administratieve bescheiden; inspecties en bezichtigingen. In het kader zijn 70 korpsleden voorzien volgens de wettelijke bepalingen: 4 officieren, 1 geneesheer-officier, 6 onderofficieren, 8 korporaals en 51 brandweerlieden. Die personeelssterkte is momenteel ingenomen ten belope van 67 man, rekening houdend met lopende aanwervingen, opruststellingen, enz.. In tegenstelling tot de beginjaren waar vele pompiers een zelfstandige activiteit uitoefenden, telt het korps thans nog slechts 3 zelfstandigen; 7 man werkt in gemeentedienst, 6 in een andere openbare dienst en 47 (!) in privébedrijven. 24 van de 67 leden zijn jonger dan 35 jaar, 31 hebben hun leeftijd tussen~de 35 en 50 jaar en 12 manschappen zijn ouder dan 50 jaar. Inzake de ambulancedienst werden in 1993, 990 oproepen genoteerd en werden daarbij 944 personen vervoerd door de beide ambulances, die samen over 4 draagberries beschikken. De voertuigen legden hierbij samen 15934 km af. De brandweer daarentegen noteerde 354 interventies, lopende van diverse eigenlijke branden (gebouwen, voertuigen, schoorstenen, gras en struiken, ...), over reddingen van personen, wateroverlast, wolkbreuken, overstromingen, droogmakingswerken, vrijmaken van de rijweg, dringende hulpverlening, wespen- en bijennesten... Door de steeds strenger wordende wettelijke bepalingen en reglementen inzake brandpreventie op de meest diverse domeinen is een (gelukkige) terugval vast te stellen van de eigenlijke branden, mede door het steeds veelvuldiger gebruik van geteste en goedgekeurde bouwmaterialen inzake brandbaarheid en brandvoortplanting. Mede door de publieke opinie en de daaruit voortvloeiende politieke gerichtheid van de overheid, is zich in de jaren '90 een drang gaan ontwikkelen ter bescherming van het milieu en ter bestrijding van alles wat het kan aantasten. De budgetten van de nationale, provinciale en gemeentelijke overheden werden dan ook stelselmatig in die richting verschoven met het oog op de aanschaffing van passend materiaal. Het materiaalbestand van het brandweerkorps van Eeklo werd dan ook in de laatste jaren op een vrij korte termijn aangevuld met een bijna complete uitrusting van datgene wat de dag van vandaag doorgaat als een standaard inzake milieubeschermingsmateriaal, een milieuwagen (volledig uitgerust) inbegrepen. Er worden nog gemiddeld 12 zondagoefeningen per jaar voor het hele korps gehouden, naast veelvuldige oefeningen voor de chauffeurs op zaterdagen. Er zijn gemiddeld 12 kadervergaderingen van de bestuursraad per jaar, en bijkomende avondoefeningen.
In de loop van het jaar worden geregeld bijzondere activiteiten gehouden, hetzij voor het korps zelf, hetzij publieke manifestaties naar de bevolking toe. In het korps behoort de algemene leiding aan de kapitein-bevelhebber. In de medische dienst 100 wordt de leiding waargenomen door de officier-korpsgeneesheer, bijgestaan door een luitenant. In de technische dienst/materieel wordt de leiding waargenomen door een onderluitenant, bijgestaan door een adjudant. Wat het operatief gedeelte betreft, werd het korps ingedeeld in twee pelotons van elk twee secties. Zij staan onder leiding van een onderluitenant, bijgestaan door een adjudant en een sergeant-majoor. Bijzondere secties van chauffeurs (twee groepen, onder leiding van een onderluitenant) en de waterwinplaatsen vervolledigen de bezetting. In tegenstelling met de schamele beginjaren van het brandweerkorps, beschikt elk lid thans over een degelijke brandbestrijdingsuitrusting met interventiejas, helm, laarzen, werkbroek en -vest, werkhandschoen en. Elk korpslid beschikt tevens over een volledig uitgangstenue (brandweeruniform, kepi, mantel, witte handschoenen). Alle voertuigen en materieel zijn ondergebracht in de brandweerkazerne, Gentse steenweg nr. 2 te Eeklo, waar ze onderhouden worden door de bestendige wacht, zijnde 4 stadswerklieden gedetacheerd op de brandweer- en 100-dienst, maar die tevens lid zijn van het vrijwillig brandweerkorps. De kazerne zelf werd volledig verbouwd en aangepast aan de noden van een moderne hulpverleningsdienst in 1981 en daaropvolgend officieel ingehuldigd op 11 september 1982.
Uitbreiding van de kazerne
Eind de jaren 90 werd de kazerne met 600m2 uitgebreid. Daar hing een prijskaartje aan van ruim 6 miljoen frank. Die uitbreiding maakte het mogelijk het rollend materieel en de lokalen te herschikken. Het gevolg daarvan was dat men sneller en doeltreffender kon uitrukken. De ruwbouw en een deel van het lot binneninrichting werd in opdracht van het stadsbestuur uitgevoerd, de brandweermannen stonden zelf in voor de verdere binnenafwerking. In de nieuwe vleugel staan vooral kleinere voertuigen van de dienst. Het gaat om de ambulances, een snelle interventiewagen, duikinterventiewagen, een stafwagen, CP-OPS-wagen en een lichte vrachtwagen. Die wagens stonden vroeger achter de grote wagens geparkeerd, waardoor bij het uitrukken vaak kostbare tijd verloren ging.
